Oorlogsherinneringen van Mevrouw E. Rijsdijk-Meijaard d.d. 8 januari 2019

De vader van mevrouw Rijsdijk was werkzaam bij het Loodswezen als kapitein op een van de schepen die de betonning en bebakening verzorgden op de Westerschelde. Het Loodswezen viel onder het Ministerie van Oorlog, zoals ‘Defensie’ tot 1959 heette, directie Marine. Toen de Tweede Wereldoorlog in mei 1940 uitbrak vochten de Fransen in Zeeland nog door tot 17 mei, na de capitulatie van Nederland op 10 mei. Toen moesten ook zij zich terugtrekken. Dat gebeurde via de haven van Vlissingen. De vader van mevrouw Rijsdijk kreeg (militair) bevel zoveel mogelijk Fransen in diverse keren over te zetten naar Breskens en na afloop zijn schip in Breskens te laten zinken. Intussen waren – in het kader van een afgekondigde evacuatie – zijn vrouw en kinderen (twee dochters en een zoon) op 11 of 12 mei als zoveel Vlissingers met in de haast meegenomen spulletjes vertrokken naar Koudekerke naar een oom en tante van vaderskant. Die hadden een boerderij aan de Kleiweg in Koudekerke. Daar zag de achtjarige mevrouw Rijsdijk de Lange Jan van Middelburg in brand staan. Vandaar is het gezinnetje – zonder vader nog steeds – naar Nieuwdorp gefietst. Daar woonde een zus van moeder. De tocht naar het Zuid-Bevelandse dorpje ging over de Sloedam. Daar zag mevrouw Rijsdijk nog lijken liggen van gesneuvelde soldaten. Het laat zich raden wat een indruk die eerste oorlogsdagen op haar hebben gemaakt.
De vader was te verstaan gegeven dat het niet verstandig was als marineman naar Vlissingen terug te keren omdat vrijwel zeker was dat hij dan krijgsgevangen gemaakt zou worden. Hij vluchtte lopend naar Duinkerke in de verwachting daar naar Engeland te kunnen worden overgezet en zich dan te voegen bij andere Nederlandse vluchtelingen. Hoe hij daar gekomen is en wat hij onderweg moet hebben gezien en meegemaakt heeft hij nooit verteld. Maar het moet vreselijk zijn geweest. Er is één uitzondering en dat zal verteld zijn onder het eten van erwtensoep: hij kreeg onderweg zulke soep van een soldaat te lepelen uit een helm. Hoewel het werd gebracht als een soort anekdote blijkt hieruit wel dat hij ook honger en dorst heeft geleden. In Duinkerke bleek overgezet worden met de zich terugtrekkende Engelsen een illusie. Er is daar nog een schip waarmee dat gebeurde getorpedeerd. Veel Marokkaanse militairen in Franse Dienst, die de aftocht van de Engelsen moesten dekken kwamen daarbij om: enkele van hun lijken spoelden aan in Zeeland en die zijn begraven op het Oorlogsveld in Kapelle. Het is niet bekend of vader dit heeft gezien of dat het om het schip ging, waarmee hij zou oversteken. Hij is niet naar Engeland gegaan: hij kon wel weer terug, zei men, van krijgsgevangenschap was geen sprake meer. Hij ging lopend naar Breskens, waar hij in augustus aankwam. Daar werd hij overgezet naar Vlissingen door een visser. Maar waar was zijn gezin? Het huis op het Eiland, vlak voor de oorlog helemaal verbouwd, was vernield (het zou later door de Duitsers worden gesloopt, die maakten dat gebied tot vesting). Van de evacuatie van vrouw en kinderen had hij nog weet en zijn familie in Koudekerke wist hem te vertellen dat zijn vrouw met de kinderen naar haar zus in Nieuwdorp waren gegaan. Helemaal overstuur en ziek van een longontsteking voegde hij zich na drie maanden bij hen. De longontsteking heeft hij overleefd, geen sinecure want er waren nog geen antibiotica. Maar: “Hij is nooit meer dezelfde geworden”, aldus mevrouw Rijsdijk, “hij bleef de hele oorlog overspannen en kon geen geluid verdragen”. Wees dat op angst voor bombarderende oorlogsvliegtuigen? Vroeger zou de volksmond gezegd hebben: hij heeft de dood in de ogen gezien, dan wordt je nooit meer dezelfde. Tegenwoordig spreekt men van een posttraumatisch stress syndroom. Hij heeft er tot zijn dood in 1969 last van gehouden.

Moeder en zus gingen een keer naar Goes en kwamen langs een leegstaande boerderij in ’s-Heer-Hendrikskinderen. Die was te huur en moeder slaagde erin daar met haar gezin te gaan wonen. Het was de gelukkigste tijd van mijn kinderjaren”, herinnert mevrouw Rijsdijk zich, “ik kon er spelen, er waren dieren en andere kinderen. Ik ben er naar school geweest”. Intussen moest vader zijn werk weer opnemen. Dat hij ziek was geloofde niemand, hijzelf waarschijnlijk ook niet. Toen hij een keer bij het Roeiershoofd in Vlissingen terugkwam, wist men hem te vertellen dat hij aan een groot gevaar was ontsnapt: men had een torpedo op zijn schip gericht om af te vuren, maar dat was gelukkig mislukt.

Tegen het einde van de oorlog moest hij bij de NSB-burgemeester van Vlissingen komen, P. Callenfels, naar diens huis aan de Koudekerkseweg (diens veel jongere broer L. Callenfels – als de rest van deze familie anti-Duits – zou na de oorlog commissaris van het Loodswezen in Vlissingen worden). Vader had geweigerd nog langer voor de Duitsers te werken. Callenfels sommeerde hem – met het pistool gericht op de borst van zijn ‘gast’: “Varen, of anders naar Vugt”. Dat was een concentratiekamp. Vader dook onder voor werken vanuit Vlissingen, maar nam zijn zeekaarten mee. Hij week uit naar Zuid-Beveland en werd ingezet op de Oosterschelde. Dat bleek te kunnen zonder problemen in die verwarde tijd. Callenfels was inmiddels gevlucht via Veere en Schouwen-Duiveland naar Zuid-Holland. Die had overigens wel de gewoonte te dreigen, maar probeerde ook aan Duitse maatregelen nemen te ontkomen. Dat kon je echter van tevoren niet weten: je moest dus wel durven. Vanuit ’s Heer-Hendrikskinderen hoorde moeder en kinderen een keer een beschieting en zagen ze een hevige brand richting Wolphaartsdijk. “Dat is het schip van vader”, wist mevrouw Rijsdijk toen heel zeker. Er waren bij die brand gewonden, maar vader liet weten, zo spoedig als hij kon, dat alles goed met hem was. Het betrof niet zijn schip, maar een dat hij te hulp was gekomen.

Op 26 oktober 1944 is ‘s-Heer-Hendrikskinderen bevrijd. Vader werd opgehaald – met een jeep – door Engelse militairen en naar Antwerpen gebracht, in afwachting van een vrije doorvaart over de Westerschelde. Hij heeft er, of het nog niet genoeg was, een V2-aanval meegemaakt. Toen men de schuilkelders in moest had hij gevraagd of men er gemakkelijk uit kon (hij zal claustrofobie hebben gehad, als zoveel Vlissingers in de oorlog). Nee, dat kon niet. Toen is hij uit de schuilkelder opgestapt en kon even later van een veilige afstand waarnemen hoe die door een V2 vol werd geraakt. De meesten, erin opgesloten, hebben het niet overleefd. Vader was weer eens aan de dood ontsnapt.

De slag om de Westerschelde was op 2 november 1944 in zoverre geslaagd dat de Duitsers de zeearm niet meer konden beheersen. De mijnenvegers gingen de rivier op. Vader heeft ze begeleid van en naar Antwerpen. Hij kende immers de Westerschelde met al zijn wisselende zandbanken en vaargeulen als zijn broekzak. Hij was al bij het eerste konvooi mijnenvegers. Deel voor deel maakte men de Westerschelde mijnenvrij en steeds liet men zilverkleurige ballonnen op als er weer een stuk geklaard was. Hij is ervoor door de Engelsen bedankt in hun kwartier in Antwerpen, ‘Hotel Ambassador’.

De mariniers van het 48ste, later ook van het 44ste, Commando van de Royal Marines, die het westen van Walcheren hadden bevrijd, werden in december 1944 in ’s-Heer-Hendrikskinderen ingekwartierd. Mevrouw Rijsdijk weet zich hun Centrum, met gaarkeuken, goed te herinneren. Er kwamen er ook wel bij het gezin Meijaard aan huis. Met een van hen heeft ze nog geschaakt. Ze heeft kiekjes waar ze met ‘Charles’ op staat. Zijzelf op de voorgrond. Ook dat was voor de inmiddels 12-jarige allemaal wel spannend, maar nu eens prettige ontspanning. Vader wilde wel bij de verjaardag van zijn vrouw zijn in januari ’45. Hij bood aan om Britse mariniers van het 48ste over te zetten van Zuid-Beveland naar haven De Val van Zierikzee. Dat moest nog worden bevrijd. Men ging in het donker, zonder licht en zelf gecamoufleerd en haalde in Noord-Beveland een boer op die de situatie op Schouwen kende. Gevaar? Welnee, als je maar even op de verjaardag van je vrouw kon zijn. Er was nog een keer zo maar een ontmoeting mogelijk met vader. Met Pasen 1945 gingen moeder en kinderen naar Terneuzen, waar vader ook kans toe zag. Ze waren allen op visite bij een familielid aldaar. Mevrouw Rijsdijk herinnert zich dat er een taart was! Die had ze al die jaren niet gezien. Het gebak smaakte prima.

Eindelijk, in december 1945 kon het gezin weer naar Vlissingen terug. Er zou een huis beschikbaar komen van familie van moeder. Helaas ging de verhuizing niet door omdat de gemeente een nogal eigengereide ambtenaar had aangesteld die namens de huisvestingscommissie regelde waar iedere aanvrager gehuisvest mocht worden. De heer Rorije deed dat vaak met passering van de politiek verantwoordelijke leden van de commissie. Zo ook hier: hij wist iemand anders die volgens hem in aanmerking kwam. Ambtenaren gingen vóór en hij negeerde het feit dat een marineman een rijksambtenaar was en gunde de woning aan een collega.

Maar uiteindelijk kon het gezin naar een huis aan de Koudekerkseweg (tegenwoordig Gerbrandystraat), tegenover de Wielingenlaan. Maar daar liep bij hoog water nog steeds modderwater binnen (met de inundatie van oktober 1944 was ook in de Nolledijk een gat geslagen dat nog niet was gedicht). Mevrouw Rijsdijk liep met laag water met haar moeder naar de dichtstbijzijnde bakker een halve kilometer verderop, bakker Fey in de Badhuisstraat. Daar hadden ze bij het vorige laag water een wasketel water gebracht. Die werd verwarmd op de restwarmte van zijn oven. Met de ketel, inmiddels warm, water liepen ze terug om het huis schoon te maken. Na het hoog water volgde de dag erop weer dezelfde procedure. Tot de Nolledijk dicht was. De brandweer kwam de huizen toen schoon spuiten, maar gelukkig hoefde er voor de familie Meijaard niet een stevige brandspuit op: dat zou nóg meer dweilen ten gevolge gehad hebben.

Vader Meijaard heeft – zijns ondanks – dappere oorlogsdaden verricht en is meermalen door het oog van een naald gekropen. Hij vond er zelf niets romantisch aan. Want toen zijn zoon hem in Antwerpen opzocht en toestemming vroeg dienst te nemen was hij daarop tegen: “Als je geluk hebt kom je terug met een afgeschoten been en de hoge pieten drinken er een borrel op”. De broer van mevrouw Rijsdijk is toch gegaan, uiteindelijk naar Nederlands-Indië. Hij kwam wel heelhuids, maar ook getraumatiseerd terug.

Mevrouw Rijsdijk hoopt met het verhaal van haar vader jongeren duidelijk te maken, dat verhalen over oorlogsdaden wel heldhaftig mogen klinken, maar – zelfs als je oorlogshandelingen overleeft – ze de rest van je leven geestelijk kunnen verwoesten.

Ineke Herbers, 15 januari 2019.

3 Reactie's
  • Gidget
    Geplaatst op 07:37h, 12 maart Beantwoorden

    Do you have any tips for writing posts? That’s where I always battle
    as well as I just end up gazing empty display for long period of time.

  • Jurgen
    Geplaatst op 15:17h, 12 maart Beantwoorden

    Have you ever had issues with your webhost?
    I’m open for suggestions as my webhost is horrible at the
    moment.

    • Stichting Oorlogsjaren Vlissingen
      Geplaatst op 19:36h, 12 maart Beantwoorden

      No, we had no issues with our webhost
      Kees de Rijke, webmaster

Geef een reactie